Elk jaar tijdens de paasnacht zegenen we het nieuwe doopwater. De gebaren spreken voor zich. De brandende paaskaars wordt in het nieuwe doopwater gedompeld. De priester spreekt het zegeningsgebed over het doopwater uit en de paaskaars wordt uit het water gehaald. Zoals Jezus neerzonk in de dood, om na drie dagen te verrijzen, zo gaat de paaskaars onder en op. Het licht straalt over de wateren van de dood. Wij zijn met Christus gestorven om met Hem te verrijzen.
Fris doopwater, zoals in het populaire Nederlandse kerklied: ‘Er komen stromen van zegen. Dat heeft Gods Woord ons beloofd; stromen, verkwikkend als regen, vloeien tot elk die gelooft. Stromen, stromen van zegen, komen als plasregens neer. Nu vallen drupp’len reeds neder, zend ons die stromen, o Heer’.
Na de wijding van het doopwater gaat de priester door de kerk met het nieuwe doopwater. Niemand in de kerk mag droog blijven! Het doopwater moet zijn werk doen. Het mag onze huid, ons kapsel en ons zondagse pak beroeren. Het mag even spelbreker zijn, onruststoker, lachverwekker. Hoe erg zou het niet zijn, indien het doopwater ons onberoerd liet! Alsof van het doopwater geen beweging, vernieuwing of weerbaarheid meer zou uitgaan. Alsof we droge christenen zouden zijn, droog als boeken, droog als rozijnen, droog als poppen. Droog bewaart goed, maar leeft niet meer.
Elk jaar met Pasen kan ons geloof best een verse regenbui gebruiken om het te verfrissen, om het nieuwe wortels en nieuwe takken te laten schieten, om de tuin van ons leven opnieuw te laten bloeien. We wensen je wel een zonnige, maar geen droge Pasen! Liever een frisse Pasen, sprankelend van het nieuwe doopwater.
Vrij naar de paasboodschap 2026 van mgr. Johan Bonny

